Stille sprekers

Ze zijn net vertrokken. Ik hoop dat mijn kind blij terugkomt. Van mijn man weet ik al dat hij niet meer terugkomt. Het was nu of nooit, zeker. Maar Mario heeft er moeite mee (mannen hebben daar in het algemeen moeite mee) te accepteren dat het ook wel eens nooit kan zijn.
Ik denk er niet eens over na dat ze een ongeluk zouden kunnen krijgen, bij het woord alleen al breekt het angstzweet me uit, maar wat als het opeens slechter met hem gaat? En hij niet verder kan? Wat zou Lito dan doen? Dat is iets wat Mario weigert onder ogen te zien. Hij schijnt ervan overtuigd te zijn dat zijn wil sterker is dan zijn lichaam. Zoals gewoonlijk ben ik gezwicht. Niet uit goedhartigheid, maar uit schuldgevoel. Gek genoeg heb ik daar nu evengoed spijt van.
Als Mario zou accepteren dat zijn krachten hem op een gegeven moment in de steek laten, zouden we al onze vrienden de waarheid kunnen vertellen. Maar hij heeft liever dat we zwijgen als het graf. Er discreet mee omgaan, noemt hij dat. De rechten van een zieke staan buiten kijf. Over de rechten van degene die hem verzorgt heeft niemand het. De ziekte van de ander krijgt ons in zijn greep. Dus al ben ik thuisgebleven, ook ik zit in die vrachtwagen.
Mario bleef er maar over doorgaan dat hij toch één keer in zijn leven een rit met zijn zoon moest hebben gemaakt. Dat hij hem mee moest nemen in een vrachtwagen, zoals zijn vader dat ook met hem had gedaan. Ik was niet in staat daar iets tegenin te brengen. Maar vervolgens ontglipte hem een onaanvaardbaar argument. Hij zei dat we het geld bovendien goed konden gebruiken. Erger nog: dat ík het geld goed kon gebruiken. Als hij nu al in dat soort termen tegen me spreekt, gaat hij zo veel kilometer niet halen. En dat hij zich, net als mijn schoonvader vroeger, als een waar gezinshoofd, nog altijd door financiële afwegingen laat leiden bewijst in feite dat hij zijn toestand ontkent.

Ik heb zojuist dokter Escalante aan de lijn gehad. Ik heb met spoed om een afspraak gevraagd omdat ik van hem wil horen hoe Mario ervoor staat en hoe reëel de kans is dat hij de reis volhoudt. We hadden dokter Escalante moeten raadplegen voordat we een beslissing namen. Waarschijnlijk vermoedde Mario van het begin af aan al wat zijn mening zou zijn en was hij er daarom op tegen. Hij bleef er maar op hameren dat dit een persoonlijke kwestie was, geen medische. En wat had ik moeten doen? Hem er aan zijn haren mee naartoe sleuren? Maar ik vind dat ik toch minstens het recht heb nu zelf met hem te gaan praten. Ik wil weten wat hij bij de laatste controle precies van hem vond. En ik ga volledige openheid eisen. Ik neem aan dat ik dringend genoeg klonk want ik kan morgen om elf uur al bij hem terecht.
Aangezien het toch vlakbij is ga ik dan meteen even langs de lerarenkamer om de herexamens taal en literatuur voor te bereiden. Die zijn voorlopig nog niet aan de orde, maar als ik niks doe word ik gek. Ik vrees dat er twee soorten vervreemding bestaan: die van de werknemer die wordt uitgebuit en die van de werknemer op vakantie. De eerste kan niet denken, daar heeft hij geen tijd voor. De tweede kan alleen maar denken, dat is zijn straf.
Ik wacht nog steeds op een antwoord van Mario op mijn sms’je. Ik voel me neurotisch en de vlammen slaan me uit. Ik heb behoefte mijn hele lijf open te krabben tot ik er iets, ik weet niet wat, uit heb gerukt. Ik houd er niet van dat hij de telefoon beantwoordt tijdens het rijden. Dus ben ik aan hem overgeleverd. Hij verstikt me als hij het stuur omklemt. Hij wurgt me als hij het rond draait. Zo is het genoeg. Ik schrijf geen woord meer tot ik dat berichtje heb ontvangen.
Ik schrijf geen woord meer tot ik dat berichtje heb ontvangen.
Ik schrijf geen woord meer tot ik dat berichtje heb ontvangen.
Ik schrijf geen woord meer tot. Eindelijk, eindelijk.

Het gaat goed. Zeggen ze. Ze zijn in ieder geval zo tactvol geweest me allebei afzonderlijk een berichtje te sturen. Dat van Mario trof de juiste toon. Het was beknopt, maar niet ontwijkend. Aanhankelijk, zonder melodramatisch te klinken. Als hij wil weet hij me nog steeds te raken. Daardoor ben ik verliefd op hem geworden: omdat hij behalve woorden ook stiltes beheerst. Er zijn mannen die geniaal kunnen praten, daar ken ik er heel wat van. Maar bijna niemand weet hoe hij zijn mond moet houden. De meeste van mijn vriendinnen identificeren het rauwe type met zwijgzaamheid. Dat lijkt me een uit de filmindustrie afkomstige misvatting. De ergste mannelijke botheden die ik heb meegemaakt waren ondraaglijk verbaal. En flink luid.
Zoals gewoonlijk viel het niet mee Lito’s berichtje te ontcijferen. Zorgen al die zogenaamd snelle afkortingen er niet voor dat het bericht juist trager binnenkomt? Belemmeren die de communicatie niet? Ik word oud.

Ik heb anderhalf uur in de wachtkamer gezeten. Het zien van zo veel zieken bij elkaar droeg niet bepaald bij aan mijn kalmeringsproces. Ten slotte stond dokter Escalante me tussen twee patiënten door te woord. Hij schonk me exact vijf minuten van zijn tijd. Hij zat bijna aan één stuk door instemmend te knikken en verontschuldigde zich dat hij zo’n haast had. Toen hij zag dat ik met nog meer prangende vragen zat stelde hij me voor de volgende dag terug te komen. Tussen twaalf en half een heeft hij een gaatje. Ik zal er zijn. Het enige dat hij me nog kon zeggen was dat, ook al was de reis niet zonder risico’s, Mario’s organisme momenteel enige verlichting ondervond vanwege het stopzetten van de medicijnen. En dat het afweersysteem daar gewoonlijk gedurende een beperkte periode positief op reageert. Waardoor, samen met de mentale prikkel, en uiteraard zonder dat hij iets kon garanderen, Mario zich wel eens sterker zou kunnen voelen dan maanden het geval was geweest. Ik vroeg de dokter hoe beperkt die periode was. Hij haalde zijn schouders op en herhaalde: beperkt.
De terughoudendheid van dokters irriteert me. Met ze praten is net als bellen zonder bereik. Je hoort eigenlijk alleen jezelf. Je mag er alles uitgooien, vragen stellen waarop je het antwoord vreest, en je stukje bij beetje een beeld vormen van het toekomstperspectief met een minimum aan informatie van hun kant. Dokter Escalante is een vreemde man. Hij weet met zijn status om te gaan. Hij spreidt zijn macht niet tentoon: hij beschouwt die simpelweg als een gegeven. Wat me het meest aan hem opvalt is een soort gereserveerde zelfverzekerdheid, een afstandelijke stelligheid, in combinatie met een energie die kenmerkend is voor zijn leeftijd. Die overvloed aan energie is waarneembaar in zijn blik en zijn onverhoedse armbewegingen. In feite is dokter Escalante niet zo veel jonger dan ik. Maar in zijn nabijheid voel ik me, ik weet niet precies waarom, een oudere vrouw of iemand met een leven dat een stuk voorspelbaarder is dan dat van hem. Ik durf er alles om te verwedden dat hij geen kinderen heeft.
Voordat ik naar de dokter ging heb ik Lito en Mario gesproken. Lito vertelde dat ze in de vrachtwagen hadden geslapen. Dat was niet de afspraak. Ze zouden in pensions overnachten. Ik ben maar niet boos geworden want blijkbaar hebben ze het erg naar hun zin. Mario zei dat hij geen last van misselijkheid had gehad. Hij klonk relaxed. Als hij gespannen is of tegen me liegt laat hij rare pauzes in zijn zinnen vallen, dan haalt hij op onnatuurlijke momenten adem. Lito schreeuwde enthousiast. Het deed me goed dat te horen. Maar tegelijkertijd werd ik er treurig van. Hij zegt dat hij een landschap heeft gezien dat er net zo uitzag als in Roadrunner. Ze eten goed. Ik niet. Ik ga de teksten voor de examens uitzoeken. Daarna ga ik de hele middag lezen. Door te lezen komen mijn zenuwen tot rust. Niet waar. Ze komen niet tot rust: ze zoeken een andere weg.
Toen ik van het spreekuur kwam ben ik een boekhandel binnengelopen (binnengevlucht). Ik heb een stel boeken gekocht van schrijvers waar ik van houd (heel snel, bijna zonder te kijken, alsof het pijnstillers waren) en een dagboek van Juan Gracia Armendáriz dat ik toevallig doorbladerde. Van dat laatste vermoed dat het eerder een vaccin is dan een pijnstiller: wie weet kan het me inenten tegen de onrust die ik probeer te bestrijden.