De waarheid over Don Vito

De vriendschap tussen Eva en Olga dateerde al van zo’n twintig jaar geleden, het jaar dat Olga vanuit Santan­der naar Barcelona was gekomen om als onderwijzeres op een nonnenschool te gaan werken. Die lag precies tegenover de plek waar Santi, destijds Eva’s officiële verloofde, een snoep­winkeltje was begonnen, dat vreemd genoeg niet liep. Santi deed de winkel van de hand, maar de vriendschap tussen zijn verloofde en de schooljuffrouw bleef bestaan. Die groeide, bloeide en verwelkte. Dat kwam door don Vito en ging onge­veer als volgt.

Punt 1: Olga had het verdiend

Het begon allemaal toen Olga, als trouwe afneemster van een bepaald schoonmaakproduct, een reis naar het Caribisch ge­bied had gewonnen en Eva om een grote gunst vroeg: of ze twee weken op don Vito wilde passen. Ze was absoluut niet in staat hem in een pension onder te brengen. Ze kon het niet verdra­gen dat don Vito, die naar haar zeggen alles begreep, misschien zou denken dat hij weer in de steek werd gelaten en in een de­pressie zou raken terwijl zij ergens onder een palmboom lag te zonnen. Ze zou het zichzelf nooit vergeven als hem, juist nu ze had besloten ‘eventjes’ van zijn zijde te wijken, iets naars zou overkomen. Hij was oud en had waarschijnlijk niet lang meer te gaan, hoewel ze dat al zei sinds ze hem ruim zeven jaar geleden had gevonden.
Don Vito was een oude, witte pekinees. Met uitpuilende, door staar aangetaste, wazige soepogen en vooruitstekende ondertanden. Hij liep mank vanwege een schot hagel dat zich in zijn heup had ingekapseld en leed aan een chronische bron­chitis.
Eva dacht dat Olga hem don Vito had genoemd omdat het beest alsmaar liep te grommen om, net als de gevreesde godfather van de maffia, zijn kwaadaardige inborst kenbaar te maken. Maar dat was bepaald niet zo. Het grommen was zijn manier om zich uit te drukken en viel meer te wijten aan zijn misvormde en mishan­delde lijf dan aan een karaktertrek, want in feite was hij heel goedmoedig en vrij verlegen. Eva schreef de onvoorwaardelijke trouw van het ding toe aan de nogal stompzinnige aard van dit soort beesten. Olga ergerde zich niet aan Eva’s onwetendheid, al was die groter dan haar vriendin ooit zou willen toegeven. Haar liefde voor het ontegenzeglijk lelijke beestje en haar bevlogenheid van de drieste ouwe knar aan wie het zijn naam te danken had, werden er alleen maar sterker door. En Eva voelde net zo’n sterke affectie voor Olga, een affectie waarin genegenheid en medelijden subtiel met elkaar verweven waren; haar vriendin was een ver­stokte vrijgezel en voelde zich voortdurend geroepen anderen te helpen. Volgens Eva had het één veel met het ander te maken. Ze zou nooit Olga’s steun en raadgevingen vergeten toen ze na het commerciële debacle van Santi, en net toen ze in verwachting bleek te zijn, de toekomst van haar relatie als een groot vraagte­ken boven haar hoofd zag zweven. En ook niet hoe toegewijd zij altijd aan het hoofdeinde van haar bed had gestaan in de bijna negen maanden dat ze rust moest houden. Olga had haar heel vaak gezelschap gehouden, en na de keizersnee bleef ze haar hel­pen met de baby en het huishouden. Het sprak voor zich dat Olga de peettante én onderwijzeres werd van het kind, Pili genaamd, dat toen het gedoe met don Vito aan de hand was, dertien jaar oud was en net met vlag en wimpel het basisonderwijs had afge­sloten.
Kortom, als Olga dacht dat don Vito zich beter op zijn gemak zou voelen en een veiliger onderkomen zou vinden bij Eva kwam dat omdat ze meer dan genoeg redenen had dat te den­ken. En Eva was gewoon heel opgetogen over het idee dat ze Olga van dienst kon zijn, dat ze eindelijk iets terug kon doen voor alles wat Olga voor haar had gedaan, dat ze zich nu ook eens nuttig en onbaatzuchtig en onmisbaar kon voelen, al was haar enthousiasme een beetje buiten proportie. Olga kende haar vriendin maar al te goed en stond op het punt de prijs af te slaan vanwege don Vito. Eva moest haar over de streep trek­ken door erop te blijven hameren dat zij echt met plezier voor hem zou zorgen, dat ze met een gerust hart weg kon en moest gaan en dat ze toch niet zo stom zou zijn om haar eerste en mis­schien enige kans op een gratis, van alle luxe voorziene buiten­landse reis aan haar neus voorbij te laten gaan. Ze had het ver­diend, punt uit. En het beest dacht er, als het inderdaad zo was dat hij alles begreep, ongetwijfeld net zo over. Weifelend en nog wat beduusd overhandigde Olga Eva haar huissleutels en haar schuwe don Vito, en vertrok in een taxi.
Goed, wat er gebeurde is dat don Vito de eerste paar uur van zijn zomerverblijf bij Eva een beetje opgefokt en verbijsterd, schuchter, achterdochtig en waarschijnlijk geschrokken in zijn mand naar het gezin lag te kijken en commentaar moest aan­horen in de trant van ‘Hij is écht lelijk’, ‘Wat een misbaksel’ enzovoort waarmee Santi en Pili het initiatief van Eva verwel­komden. Waarop de hond zijn kop afwendde en met een diepe zucht op de rand van de mand vlijde.
‘Praat niet zo hard, hij begrijpt alles.’
Eva herhaalde het meerdere malen, maar het had geen enkel effect op haar gezin, zodat ze pertinent elke vernederende op­merking en elk ander gezeur over het verblijf van Olga’s hond in hun huis verbood. Punt uit. Dus liep Pili morrend de deur uit toen ze bij de strandtent ijsjes ging halen. Ze woonden in een voorstad van Barcelona, in een rijtjeshuis in een wijk vlak bij het strand. De zomervakantie was net begonnen. Geheel uit vrije wil, dat wil zeggen zonder dat iemand iets deed om het te verhinderen, dribbelde don Vito hinkend achter het meisje aan en werd op de eerste de beste kruising door een vrachtwagen overreden.